Belasting op tweede verblijven

In haar zitting van maandag 26 januari 2026 keurde gemeenteraad de belasting op de tweede verblijven goed.

Besluit:

Artikel 1. - Voor een termijn die aanvangt op 1 januari 2026 en eindigt op 31 december 2031 wordt
een jaarlijkse gemeentebelasting gevestigd op de tweede verblijven.

Artikel 2. - Een tweede verblijf is elke private woongelegenheid die niet het hoofdverblijf is van de
eigenaar of huurder, maar die op elk ogenblik door hen kan worden bewoond. Tweede verblijven zijn
landhuizen, bungalows, appartementen, weekendhuisjes, optrekjes en alle andere vaste
woongelegenheden, met inbegrip van de met chalets gelijkgestelde caravans, die al of niet
ingeschreven zijn in de kadastrale legger. Lokalen die uitsluitend bestemd zijn om een beroepsactiviteit
uit te oefenen, garages, tenten, verplaatsbare caravans en woonaanhangwagens worden niet als
tweede verblijf beschouwd.

Artikel 3. - De belasting valt ten laste van diegene die op het adres van het tweede verblijf niet in de
bevolkingsregisters is ingeschreven voor het hoofdverblijf en, hetzij als eigenaar, hetzij als huurder of
als gebruiker, een tweede verblijf betrekt of kan betrekken.
De belasting is verschuldigd door diegene die het verblijf betrekt of kan betrekken op 01 januari van
het financieel boekjaar. Indien het verblijf slechts in de loop van het financieel boekjaar betrokken
wordt of kan betrokken worden, is de belasting verschuldigd voor een volledig jaar. Ontstaat de
belastbare toestand echter na 30 juni van het financieel boekjaar dan is de belasting niet verschuldigd.

Artikel 4. - De belasting wordt vastgesteld op 1.000 EUR per tweede verblijf.

Artikel 5. - De belastingschuldige ontvangt vanwege het gemeentebestuur een aangifteformulier dat
door hem, behoorlijk ingevuld en ondertekend, voor de erin vermelde datum moet worden
teruggestuurd. belastingschuldige die geen aangifteformulier heeft ontvangen, is gehouden, uiterlijk
op 15 januari van het jaar volgend op het financieel boekjaar, aan het gemeentebestuur de voor de
aanslag noodzakelijke gegevens ter beschikking te stellen.

Artikel 6. - In geval van niet aangifte, bij onvolledige, onjuiste of onnauwkeurige aangifte wordt de
belasting vermeerderd met een belastingverhoging. Bij ontstentenis van kwade trouw bij een eerste
inbreuk wordt een belastingverhoging van 10% toegepast. In alle andere gevallen wordt bij een inbreuk
een belastingverhoging van 50% toegepast.

Artikel 7. - De belasting wordt ingevorderd door middel van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar
verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.
De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na verzending van het aanslagbiljet. Indien
na het versturen van een eerste aanmaning de belasting nog niet werd betaald, wordt vanaf de tweede
aanmaning een administratieve kost aangerekend van 15,00 EUR bovenop de verschuldigde belasting.

Artikel 8. - De belastingschuldige kan een bezwaar indienen tegen deze belasting bij het college van
burgemeester en schepenen. De indiening en de behandeling van het bezwaar gebeurt volgens de
bepalingen van het decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de
geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen.

Artikel 9. - Dit reglement wordt ter kennis gebracht van de toezichthoudende overheid en wordt
bekendgemaakt overeenkomstig de artikelen 285 t/m 288 van het Decreet Lokaal Bestuur.

Het volledige uittreksel lees je hieronder als bijlage.

Downloads

Naar top